Metselwerk ontleent haar sterkte en stabiliteit voor een belangrijk deel uit het feit dat er ‘in verband’ wordt gemetseld. De stenen worden als het ware door het verband, het patroon waarin gemetseld wordt, bijeen gehouden. De verhoudingen tussen de afmetingen van een steen zijn daar ook van oudsher op afgestemd. De lengte van een steen is daarom altijd ongeveer gelijk aan twee koppen plus een voeg. Was dit niet zo, dan ontstonden op hoeken en bij muurbeëindigingen direct problemen met de maatvoering, die niet zonder hakken of breken konden worden opgelost.

Het patroon van metselwerk, de combinatie van stenen met het voegwerk, bepaalt echter ook de uitstraling, het esthetisch effect, van de gevel. Architecten en ontwerpers hebben daarom altijd naar mogelijkheden gezocht om door variaties aan te brengen in de patronen het aanzicht van het metselwerk te verfraaien. En dat gebeurt nog steeds. De combinatie van kleur en structuur van de steen, met de kleur en type voegwerk en het gekozen patroon, leidt tot eindeloos veel mogelijkheden.

Bij een goede kop- strekverhouding van de steen zullen de stootvoegen tussen de koppen net zo breed zijn als die tussen de strekken, dat wil zeggen 8 tot 12 mm. Als blijkt dat de stootvoegbreedte kleiner dan 8 mm of groter dan 12 mm moet zijn, dan is de steen ongeschikt voor het maken van bijvoorbeeld kruisverband of staand verband.